box – nov ’10

over het kleinste kamertje

Welkom! Daar, ik heb mijn job gedaan.

Zeg nu zelf, wat is het nut van een verwelkoming als je maar al te goed weet dat deze, ten vroegste begin november, gelezen wordt en de start van het academiejaar alweer eeuwen geleden lijkt. Het is op zich ook zo’n dubbel gegeven die hele ‘inleiding’… Je moet een stuk schrijven om lezers ertoe aan te zetten de pagina om te slaan. Dus wil je de aandacht weg van hier. Vaak komen zo’n inleidingen ook niet verder dan een verwelkoming – al met verve in geslaagd, toch? – en een omslachtige beschrijving van wat er verder te lezen valt. Totaal onnodig natuurlijk, want waar heb je anders de inhoudstafel voor?

Nee, laat dit nu misschien wel het grootste voordeel zijn van het hoofdredacteurschap… Ik doe het toch lekker op mijn manier. Die aandacht moet hier blijven. Niet dat ik bijster veel te vertellen heb, maar genoeg om je op z’n minst 5 minuten te entertainen in het kleinste kamertje. Geef maar toe, het is toch best een gezellig plekje om een beetje bij te lezen? Je zou denken dat het een plaats is waar je zo snel mogelijk weer naar buiten wilt, maar het tegendeel is waar. Wie leest er niet allemaal zijn krant op het toilet? Of belt die ene half-verloren vriend op om ‘ff bij te kletsen’. Of lakt z’n nagels? Nou ja, dat laatste geldt nu niet bepaald voor iedereen. Toch moet ik er de kanttekening bij maken dat dit enkel van toepassing is op het vertrouwde kleine kamertje thuis. Op elk ander toilet zijn we het liefst zo snel mogelijk weer buiten. Als het even kan zonder dat iemand ons gezien of, god behoede het, gehoord heeft. Zelf bij je beste vriend hoogdringend moeten gaan blijft een beetje ongemakkelijk. En waarom? Het is toch vreemd dat er op zoiets natuurlijk nog zo’n groot taboe heerst. Zo heb ik een vriendin die het beestje maar niet bij de naam kan noemen en het vastberaden telkens over ‘kakadoelie’ heeft. Het lijkt haast dat alleen echt ‘groten’ der aarde vrijpostig over stront kunnen spreken zonder dat er zich een oprisping van rode kaakjes voordoet. Rabelais, Freud, Shakespeare en DalÌ  hadden er geen enkel probleem mee. Of wat te denken van Gerrit Komrij? Hij maakte een heuse encyclopedie over stront, met de enigszins toepasselijke en lichtjes knipogende titel Kakafonie. Er is zelfs gefilosofeerd geweest over uitwerpselen door fransoos Michel de Montaigne. De problemen die we hebben met onze eigen lichamelijke onontkomelijkheden was volgens hem te wijten aan het feit dat er in beschaafde kringen nauwelijks openhartig werd over gepraat. Of om het met zijn prachtige woorden te zeggen: ‘Au plus eslevé throne du monde si ne sommes assis que sus nostre cul.’ De grofheid die hij hanteerde ten aanzien van het onderwerp was om evenwicht te brengen aan de enorme heersende ontkenning. Moet we het shock-effect hanteren om het dialoog te openen? Het lijkt wel zo als we denken aan Wim Delvoye. De man slaagde er in om drollen te verpatsen voor 14.500 euro onder het mom van kunst. Ook Charlotte Roche profiteerde van een zeker schandaalsfeertje bij haar fantastisch debuut Vochtige streken. Het boek is een kruistocht tegen de overdreven(?) hygiëne die leeft binnen onze samenleving. Ik heb het boek thuis liggen en, toegegeven, in één ruk uitgelezen maar toch… De zelfverklaarde open geest in mij heeft onderweg toch een paar keer geslikt. Hoe dan ook, het kleinste kamertje herbergt nu eenmaal vele geheimen.

En hoewel de psychologie, kunst, literatuur en filosofie deze laatste 5 minuten al heel wat deuren geopend hebben betreffende het onderwerp, hou jij misschien best die deur gewoon nog even dicht.

Advertenties
Comments
2 Responses to “box – nov ’10”
  1. Diego de Carmona schreef:

    Hola:

    Haha, eindelijk wat openheid en frisse lucht in dat KK. Leuke tekst.

    Deed me meteen denken aan mijn hypocriete jeugd. Ik verloor mijn “moeke” ton ik 7 maand oud was en werd “opgevoed” in de na-oorlogse jaren door mijn van de moetes getrouwde zussen die een generatie met mij scheelden en het zelf niet al te breed hadden.

    De hypocriete houding van één van de schoonzoons rond alles wat met natuurlijke naaktheid, lichameijkheid en inwerpen en uitwerpen behoorde … taboe. Zélf waren zenatuurlijk niet zo op de boertige (maar toch gezellige) klassieke communiefeesten die ik meemaakte. Ik registreerde dat. Ik herinner nog zeer goed dat ik als driejarige onder de tafels kroop bij zo’n feest, met mijn neefjes van dezelfde leeftijd om én aan bijna lege bierflesjes te sabbelen en om eens te gluren naar de collectie open en minder open benen van de dames. Eén viel me speciaal op wegens haar “natuurlijke openheid”. Het zondebesef (hoe kian dat nu eigenlijk begot, verdomdse en valse opvoeding) En die andere wegens bepaalde geuren ook al, waarnemingen die ik verafschuwde.

    Bueno, op vierjarige leeftijd ontdekte ik vol afschuw een rode plas in de nachtemmer als ik weer eens gedumpt werd bij een tante (van 19 jaar of zo) na een familiefeest. De uitleg trok op niks. Ik dacht dat ze aan het doodbloeden was.

    Mijn vader was daar nooit bij. Ik heb dat heerschap nooit gekend tot mijn vijfde levensjaar. Ik heb die alleen na telkens twee maanden gezien als hij mijn zussen kwam geld geven. Ik kreeg dan de nodige lappen in mijn facie als ze mijn (slechte of vieze manieren-) avonturen vertelden aan Hem. Zelfs dat ik ooit een wollig-mollige tante die mij aan haar weelderigheid drukte (ik was 4,5 jaar) en ik vol aangenaamheid effe en o zo lief-teder met mijn vingertjes in haar borstspleet streelde. Het was volop zomer. Zo een met veel wespen aan de gistende appelton en met luchten zonder chemtrails. En met open bloezen.

    De voze, christelijk opgevoed, teef lichtte mijn vader weer in, na zo’n vier weken. Ik kreeg toen de strafste rammeling ooit. Én plaats en kleur én geuren staan in mijn harde schijf gebeiteld. Ik kan het tafereel nog tekenen.

    Toen mijn vader zijn maitresse ten huwelijk vroeg, ze kwam uit de vrouwengevangenis van Brugge, wegens haar politiek niet-correct verleden … werd ik vanuit de boerenbuiten geparachuteerd op een verdieping in de rand van de Koekenstad. Hororóso.

    Maar goed ik had nu tenminste een namaakmoeder. Alles beter? Nada. Dezelfde hypocriete, preutse, vals schookmeesterachtige sfeer met alles wat met be, naaktheid-en-klein-kamerke te maken had. Ik kon zelfs op de duur niet meer kakken als iemand van het “gezin” (sic) in de badkamer binnenviel of als ik in een openbaar toilet moest plassen en er stonden of kwamen mannen naast mij. De zogenaamde mannenpissijnen in een lange rij of in een rondeke. Vol geurtjes en kleurtjes en voetenj van anderrehn die je zag passeren waarbij uw waterleiding begon te stroppen om rap te kunnen stoppen. Afschuwelijk.

    ***

    Later reisden we naar Scandinavië en ontdekte ik de groepstoiletten (ik denk logisch wegens de barre koude én de gevaren om alleen naar die plaats te moeten gaan als er wolven en veelvraten in het rond sluipen) ,;. en net zoals bij de Romeinen. Zelfs in Vlaanderen moeten er geweest zijn. No lo sé.

    En deze zomer was er een artieste uit het Leuvense in mijn B&B en ze stelde me ineens de vraag of ik wist waar onze begroeting “Hoe gaat het ermee” vandaan kwam. ik wist het niet.

    Volgens haar kwam het van lang-vervlogen tijden heen om te weten : “Hoe gaat het ermee, met je stoelgang, alles OK (en gezond?)”.

    “Ziezo da’s mijn beschijten bijdrage”. Neen, bescheiden … natuurlijk.

    Un abrabeso

    D

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Blog Stats

    • 14,175 hits
%d bloggers liken dit: